In 2 Sam 4, 9, 16 en 19 komt Mefiboseth voor, de zoon van Jonathan, dus de kleinzoon van Saul. de voedster die hem had moeten beschermen is daar niet toe in staat gebleken. Ze viel en dus werd Mefiboseth kreupel aan beide voeten. Hij is bang als David hem laat zoeken en hij voor David verschijnt. Normaliter wil een nieuwe koning alle erfgenamen van de oude koning doden, om kans op wraak enz. uit te sluiten. Zo doen leeuwen dat bv. ook, alle welpjes van de oude leeuw worden gedood. Maar nee, David is genadig en denkt aan zijn vriend Jonathan. Mefiboseth krijgt de landerijen van Saul terug. En hij mag geregeld aan de tafel van de koning zitten. Er wordt verteld:"Zie, hij is in het huis van Makir, de zoon van Ammiël, te Lo-Debar."
Makir (Machir) betekent handelaar, lijkt dus op Kanaän, de (ver)koper. Met je oog voor geld hoor je in de wereld, maar dan ben je niet bij Gods wereld. Bij Lo-Debar, = geen weide, is ook het Woord niet. Dabar = woord (en daad).
Maar Mefiboseth, hetgeen afstand nemen van de schande, van de afgoden, gaat bij David, in Jeruzalem wonen, aan zijn tafel eten.
Later gunt Mefiboseth alles aan Ziba, die hem bedrogen had, want hij had het goede deel.